Dit is een spin-off verhaal van het boek: ‘De Firmant’.

Sinds Floris was vertrokken om uit te vinden wat er misgegaan was met een Algerijns gascontract had niemand meer wat van hem gehoord. Henriëtte maakte zich zorgen, maar probeerde dat voor hun zoons verborgen te houden. Althans, dat dacht ze. Tjeerd en Jelle hadden wel degelijk in de gaten dat er iets ernstigs speelde. Ze spraken af bij Tjeerd in zijn Groningse studentenhuis.

Jelle stapte uit de trein in Groningen. Hij verliet het station en liep dwars door het centrum naar het huis van Tjeerd bij het Martinikerkhof. Terwijl hij via de Herestraat de Grote Markt naderde hoorde hij het aanzwellende geluid van een schreeuwende mensenmassa. Eenmaal op de Grote Markt moest hij zich een weg banen door de toeterende en joelende menigte. Af en toe zwaaide er een vlag in zijn gezicht of moest hij een spandoek ontwijken. Op een podium werd de Commissaris van de Koning geïnterviewd. Hij liep schuin het plein over de sloeg bij de Martinitoren rechtsaf. Hij liet het lawaai achter zich en sloeg de rustige lege straat in. Bij Tjeerds huis moest hij zigzaggen tussen de fietsen op de stoep om de voordeur te bereiken. Die stond open en hij liep door naar de gemeenschappelijke ruimte. Een jongen in de gang zei: “Tjeerd zit op zijn kamer, te studeren, geloof ik.” Hij voegde er een lachje achteraan. Jelle liep de trap op naar de eerste verdieping. In een redelijk ruime kamer met uitzicht op de tuin aan de achterkant trof hij zijn broer aan. “Hoi,” begroette hij hem, “Je zit echt te studeren zie ik.” Tjeerd draaide zich om en zette zijn koptelefoon af. Hij lachte: “Ja, daarvoor zit ik hier hè?” Ze lachten allebei. Iedereen wist dat Tjeerd vooral heel veel andere dingen deed in Groningen. “Uiteindelijk moet ik toch ook eens mijn vakken gaan halen,” zuchtte hij. “Zo, en wat is er weer allemaal aan de hand hier?” vroeg Jelle. “Op de markt bedoel je?” vroeg Tjeerd. Jelle knikte. “Zelfde als altijd,” zei Tjeerd. “Demonstraties over de aardbevingen en de schadeafhandeling.”

Ze liepen de trap af en gingen in de gemeenschappelijke ruimte zitten. “Koffie?” vroeg Tjeerd. “Doe maar biertje,” antwoordde Jelle. “Zo vroeg al?” grapte Tjeerd. Jelle was de serieuze student van hen tweeën en Tjeerd maakte daar altijd grapjes over. “Ik heb vanmorgen vier uur gestudeerd voordat ik in de trein stapte en die hele rit ook nog gebruikt om literatuur te lezen. Ik heb wel een biertje verdiend,” antwoordde Jelle laconiek. “Ik ook,” zei Tjeerd en hij pakte twee flesjes uit de bierkoelkast in de hoek. “Hallo, alleen voor jezelf, of gaan we ook nog sociaal doen?” vroeg een huisgenoot op één van de banken. “Wie nog meer?” vroeg Tjeerd. Uiteindelijk liep hij met vijf flesjes en een zak chips naar de zithoek. Hij plofte neer en een stofwolkje steeg op uit de vergane stof van de bank. “Over die demonstraties,” zei Jelle, “dat was waar papa al voor gewaarschuwd had hè?” “Wat had hij gewaarschuwd?” wilde een huisgenoot weten. “Hij had het ministerie een paar jaar geleden al geadviseerd om die schade goed te regelen met de oliemaatschappijen. Zijn idee was, zolang er nog gas gewonnen wordt en veel geld wordt verdiend, heb je nog een stok achter de deur om dat af te dwingen. En voor de oliemaatschappijen is de winst die ze maken dan nog hoog vergeleken met de schadevergoedingen. Dus op hun balans kunnen ze dat nog goed hebben. Maar als je wacht tot de gaswinning afneemt of stopt, dan gaan ze natuurlijk nooit meer zoveel betalen.”

“En jullie vader heeft dat allemaal al geadviseerd? Aan wie dan en hoelang geleden?” vroeg één van de huisgenoten op de bank. “Dat was al ruim voor de aardbeving bij Zeerijp,” zei Tjeerd, “ergens 2015 of nog eerder waarschijnlijk. Ik zou dat eens moeten vragen. Hij sprak daarover met de minister van economische zaken zelf. Dat weet ik wel.” “Tjonge, tjonge,” riep een ander, en straks is er dus helemaal geen geld meer voor al die schade?” “Linksom of rechtsom wordt het vast wel geregeld,” dacht Jelle. “Maar het is goed mogelijk de oliemaatschappijen zich straks uit de Noordelijke Gasmaatschappij gaan terugtrekken. In het uiterste geval zal de staat er wel voor opdraaien.” De huisgenoot die gesproken had was een Groninger. Ze wisten dat zijn ouders in een oude herenboerderij woonden die ze ooit helemaal in de oorspronkelijke staat hersteld hadden. Door de bevingen waren daar de laatste jaren scheuren in ontstaan en het hele bouwwerk stond in de stutten. Wat konden ze zeggen? Het was rot.

“Zullen we even een rondje lopen,” vroeg Tjeerd. Even later liepen Jelle en Tjeerd richting de Prinsentuin. Het was een zonnige oktoberdag. “Heb jij een idee wat er aan de hand is met papa en mama?” vroeg Tjeerd. “Nee,” antwoordde Jelle. “Ik merk dat er wat is, maar ze willen ons niets laten weten.” “Precies, reageerde Tjeerd, “en daarom denk ik dat het best ernstig is. Wat zou er aan de hand kunnen zijn?” “Papa is in Algerije, maar volgens mij had hij al thuis moeten zijn. Mama maakt zich ongerust, want ze heeft niets meer van hem gehoord sinds hij vertrokken is. Normaal bellen ze bijna iedere avond even. Ik heb hem ook Whatsapp-berichtjes gestuurd. Maar hij heeft ze niet ontvangen.” “Dat is raar,” zei Tjeerd. Jelle vervolgde: “Ik weet wel dat er in Algerije iets speelt. Ik ving wel eens stukken van telefoongesprekken op.” “Heb je staan luistervinken?” vroeg Tjeerd. “Nee, natuurlijk niet, maar als ik thuis zit te studeren en papa zit te bellen op de studeerkamer dan hoor ik daar soms wel wat van.” Jelle ging vaak naar Aerdenhout als hij zich wilde afzonderen voor een tentamen. “En het valt op wanneer het afwijkt van het normale soort gesprekken. En het valt ook op als papa en mama met elkaar ergens over praten en dan ineens over iets anders beginnen als ik binnenkom.”

‘Ping’ deed de telefoon van Jelle. “Hé, een reactie van papa!” zei Jelle. “Wat schrijft hij?” “Dat hij in Marseille is en onderweg naar huis.” “Verder niets?” “Hij is aan het typen … oh wacht … oh hij geeft gewoon antwoord op mijn vraag. Ik had hem iets gevraagd. Over pa-zonendag.” Tjeerd hoorde zijn telefoon ook pingen en zag dat ook hij een berichtje had: ‘Wanneer zie ik je weer?’ Ze keken elkaar opgelucht aan. “Dat valt mee,” zei Tjeerd. “Misschien had hij het gewoon heel druk.” Jelle schudde zijn hoofd en zei: “Kan zijn, maar dat heeft hij altijd en mama heeft zich nog nooit zorgen gemaakt, werkelijk nooit. Zelfs niet toen hij in de Green Zone in Irak zat, of in Libië.” “Dat is waar,” beaamde Tjeerd. Jelle vervolgde: “Er is wat aan de hand met Algerije.” “Laten we even ergens wat drinken,” stelde Tjeerd voor. “En dan kijken we of we iets kunnen vinden over Algerije.” “Goed plan,” zei Jelle. Ze liepen terug richting de Grote Markt, ze staken die over, sloegen rechtsaf en stapten binnen bij Café Soestdijk.

Ze bestelden twee bier van de tap en een borrelplank. Soestdijk had goede WiFi. Beiden scrolden ze door de Google-pagina’s heen. “Allemaal oud nieuws,” zei Tjeerd. “Misschien in het frans proberen?” stelde Jelle voor. “Verdomd, nu krijgen we wel ineens recent nieuws. Hoe dan?” riep Tjeerd uit. “Hoezo popt dit niet meteen op? Nieuws is nieuws toch?” “Google en algoritmen,” zuchtte Jelle, “daar is ook het laatste woord nog niet over gezegd.” “Hier, Le Monde,” zei Tjeerd, “Omar Saadane is dood gevonden in zijn huis. Zelfmoord denken ze.” “Ik dacht het niet,” reageerde Jelle, “papa had diezelfde dag een afspraak met hem. Daarom was hij daar. Toch vreemd als je afspraken maakt en dan jezelf van kant maakt op die dag.” Tjeerd haalde zijn schouders op en zei: “Ik denk dat je dan sowieso wel andere dingen aan je hoofd hebt dan de afspraken die in je agenda staan.” Hij was even stil en vervolgde: “Maar je hebt wel gelijk, het is wel raar. En papa en hij konden het ook best goed met elkaar vinden. Werd hij niet onderzocht?” Jelle knikte: “Ja, dat was na die staatsgreep. Toen hebben de geheime diensten iedereen die direct aan de vorige regering gelieerd was onderzocht op corruptie. Dus ook Omar, als CEO van PetroAlg. Maar hij was schoon en daarom hadden ze hem juist laten zitten. Zijn voorganger is toen in de bak beland.” “Vreemd,” zei Tjeerd peinzend. Even later herhaalde hij het: “Vreemd.” “Wat is vreemd?” vroeg Jelle. “Nou, ik lees hier dat ze die vorige CEO nu benoemd hebben als interim CEO, antwoorde Tjeerd. Jelle staarde in zijn lege bierglas en zei: “Dat is heel vreemd inderdaad.”

“Ga jij dit weekeinde naar huis?” vroeg Tjeerd. “Dat was ik wel van plan,” antwoordde Jelle. Ik heb afgesproken met vrienden van het Stedelijk. En jij? “Ik was van plan te gaan dit weekeinde, maar ik denk dat ik ze maar even met rust laat. Ik ga volgende week wel. Ik verzin wel een smoesje. Dat geloven ze toch wel van mij,” lachte Tjeerd. “Mmm, misschien moet ik ze ook maar even met elkaar laten. Dan kunnen ze vrijuit met elkaar praten. Aangezien ze ons er duidelijk buiten willen houden.” Precies,” zei Tjeerd. “Nou ja, ik ben toch de hele vrijdagavond weg. Misschien blijf ik wel bij Tijmen slapen,” ging Jelle verder. “En ik kan altijd zaterdag weer terug naar Leiden gaan.” Ze rekenden af en liepen naar buiten. Het begon te schemeren. Op de Grote Markt was de menigte opgelost en het geschreeuw verstomt. Hier en daar stonden wat groepjes mensen met elkaar te praten. Studenten op fietsen reden daar kriskras tussendoor. Het werd nacht en dan is de stad aan de studenten.